versie: April 2016 © Wilco van Vliet 2013
Geschiedenis van Wilnis De Ronde Venen, waar Wilnis toe behoort - voor 1 januari 1989 ook Woerdense Verlaat en Westveen, omdat dat onderdelen of buurschappen van Wilnis waren - is gevormd binnen de loop van de riviertjes Kromme Mijdrecht, Amstel, Waver, Winkel, Angstel, Aa, Heycop en de Geer. In onze streek bestond de bodem zo’n 10.000 jaar geleden uit zand, hetzelfde zand dat nu nog bij Hilversum aan de oppervlakte ligt. Deze zandlaag helt naar het westen geleidelijk af en ligt ongeveer 10 meter lager dan in Hilversum. Door slechte afwatering - het water van de hoger gelegen gebieden stroomde naar het westen - ontstond hier op het zand een moeras van riet, zegge en andere planten die op of aan het water groeien. Door het afsterven van deze planten die onderwater niet door zuurstof verteerd werden, vormden zich de dikke veenlagen. Zo’n 2000 jaar geleden ontstonden uitgestrekte veenbossen. Dit verklaart het feit, dat bij baggerwerkzaamheden regelmatig dikke boomstammen tevoorschijn komen. De stammen liggen allemaal in noordoostelijke richting, zodat hieruit opgemaakt mag worden dat het woud van bomen bij een zware zuidwesterstorm tegen de vlakte is gegaan. Deze veenbossen stonden niet alleen in de Ronde Venen, maar in heel West Nederland. Hoewel de Ronde Venen pas ongeveer in de twaalfde eeuw bewoond raakte, zijn ongeveer vierhonder jaar eerder de Noormannen hier al op bezoek geweest. Verondersteld wordt, dat de naam ‘Demmerik”in Vinkeveen voortgekomen is uit ‘Denemarken”. De naam ‘Wilnis’ is zeer waarschijnlijk afgeleid van “wildernis”. Vanaf de eerste ontginning rond 1085 onder leiding van de kanunniken van Sint Jan moet men zich nog niet al te veel voorstellen. De ontginners probeerde de moerassen zo veel mogelijk te ontwateren door het graven van sloten en zodoende het land voor gebruik geschikt te maken. Vanuit de buitenrand werden deze sloten in de lengterichting gegraven die afwaterden op de Kromme Mijdrecht. Deze sloten en waterwegen werden ook de belangrijksten routes voor vervoer van mensen en goederen, hoewel daarnaast de aan de zijkanten vna de ontginningen gelegde dijkjes ook als “weg” gebruikt konden worden. Deze dijkjes, ofwel Zuwes, bestonden aanvankelijk uit naast elkaar gelegde boomstammetjes, ertussen werd het opgevuld met grond. Het zal duidelijk zijn, dat deze zuwes in het natte seizoen nagenoeg onbruikbaar waren. Ook nu nog is het iedereen duidelijk dat het bouwen van huizen en andere gebouwen op de veengrond niet zo’n eenvoudige klus is. Er moet altijd gezorgd worden voor een stevige fundering omdat anders een gebouw binnen de korste tijd gaat verzakken en meestal ook nog scheef. De eerste bewoneers tijdens het begin van de ontginningen in deze streek moesten het doen met hutten van hout en plaggen, alhoewel het gebruik van (bak)stenen vroeg in de middeleeuwen steeds meer opgelegd deed waardoor men zorg diende te dragen voor goede funderingen. Verder moest iedereen ook zelf voor een eigen woning zorgen. Tot een goede vijftig jaar geleden was dit nog steeds zo. Daarna kwamen er mogelijkheden dat de overheid en de woningbouwverenigingen woningen bouwden die gehuurd konden worden. Natuurlijk waren er voor de Tweede Wereldoorlog ook al veel huurhuizen, maar die waren dan gebouwd voor rekening van de kerken (diaconiehuisjes), agrariers, bedrijven en fabrieken voor hun personeel. Het onstaan van de naam Gagel is niet echt duidelijk maar aangenomen mag worden dat de naam is afgeleid van de struik met diezelfde naam. De gagelstruik groeit vooral op moerassige gronden en het is daarom niet zo vreemd dat deze hier in Wilnis in het verleden voorkwam.